logo bloedsuiker
    Uitgave 4 - 2012, jaargang 27
Voorkom bloedglucosepieken na de maaltijd

Een flinke bloedglucosestijging na de maaltijd is een risicofactor voor de ontwikkeling van hart- en vaatziekten bij mensen met diabetes. Wat kunt u doen om bloedglucosepieken na de maaltijd te voorkomen?

Er zijn drie belangrijke pijlers om uw bloedglucosewaarden na de maaltijd onder controle te krijgen: voeding, medicatie en zelfcontrole. Een goed ‘samenspel' van deze drie pijlers levert de grootste winst op voor uw gezondheid. Veel mensen die insuline spuiten, meten voor een maaltijd of tussendoortje hun bloedglucosewaarde. Dan bedenken ze wat ze gaan eten en bepalen aan de hand daarvan hoeveel insuline ze nodig hebben. Ná de maaltijd wordt meestal niet meer gemeten. En eigenlijk is dat jammer. Want die meting na de maaltijd laat zien of u uw voeding en insuline goed op elkaar heeft afgestemd.

Niet te hoog na maaltijd
Het is een goed streven uw waarden na de maaltijd zo normaal mogelijk te houden, in elk geval onder 9.0 mmol/l. Iemand zonder diabetes of prediabetes heeft een waarde onder de 7,8 mmol/l na de maaltijd. Meet bijvoorbeeld eens een week uw bloedglucosewaarden twee uur na het ontbijt. Dat geeft inzicht in die maaltijd en zo weet u of u voldoende insuline toedient voor dit eerste eetmoment van de dag. Het ontbijt onder controle? Start dan met het meten na de lunch.

Anticiperen of corrigeren?
Een hoge bloedglucose na de maaltijd is vaak te vermijden: door de hoeveelheid insuline die u toedient af te stemmen op de hoeveelheid koolhydraten die u denkt binnen te krijgen. U anticipeert dan op wat u verwacht te gaan eten.
Toch een hoge bloedglucose na de maaltijd? Die is te verlagen door kortwerkende insuline bij te spuiten. Het is dan een kwestie van corrigeren. Eigenlijk ‘speelt' u, door te anticiperen en te corrigeren met de insuline. Dit noemen we zelfregulatie. Hoe beter u kunt anticiperen, hoe beter voor uw gezondheid. U loopt dan immers minder achter de feiten aan dan bij corrigeren.

Glykemische index
Inschatten wat uw voeding met uw bloedglucosewaarden doet, is vooral een kwestie van koolhydraten tellen. Het tellen van koolhydraten, zodat u beter kunt inschatten hoeveel insuline u nodig heeft, vergt wel wat oefening. Maar daarnaast spelen er meer factoren een rol bij het stijgen of dalen van uw bloedglucose, zoals bijvoorbeeld ziekte, stress en beweging. Maar ook het soort koolhydraat is van invloed. Het ene koolhydraat is namelijk het andere niet. Sommige koolhydraten, zoals druivensuiker, worden snel in bloedglucose omgezet. Deze zogenaamde ‘snelle' koolhydraten hebben een hoge glykemische index (GI). Peulvruchten hebben juist een lage GI omdat ze uw bloedglucosegehalte langzamer laten stijgen. De GI zegt dus iets over de snelheid waarmee koolhydraten in de darmen worden verteerd en als glucose in het bloed worden opgenomen. Voeding met een lage GI geeft lagere pieken in uw bloedglucose dan voeding met een hoge GI. Het kan dan nodig zijn om minder insuline te spuiten of te bolussen. Bespreek dit eventueel met uw behandelend team. In het boekje ‘Calorieën alfabet, zakboekje voor gezonde voeding' staan ca. 2500 voedingsmiddelen met hun GI genoemd.

GI: wat moet ik ermee?
De GI kan u helpen uw bloedglucose te begrijpen en er, indien nodig, uw insuline op aan te passen. Als u deze week gaar gekookte pasta met een slanke tomatensaus eet, zult u eerder een snelle en hogere piek hebben dan wanneer u volgende week al dente (minder gaar) gekookte pasta heeft met een vette kaassaus. Bij de pasta met tomatensaus zullen de koolhydraten sneller omgezet worden in glucose. Uw lichaam heeft dan ook eerder insuline nodig om alle glucose te ‘verwerken'. Uw bloedglucose blijft doorgaans mooier als u bij deze maaltijd uw kortwerkende insuline wat vroeger toedient. Uitproberen en een dagboekje bijhouden (met daarin maaltijden, hoeveelheid koolhydraten, bloedglucosewaarden en toegediende hoeveelheid insuline) kan inzicht geven. De diëtist of diabetesverpleegkundige kan u helpen samen met u uit te zoeken wat bij u het beste werkt.

De GI gaat omhoog
Wanneer kunt u een snelle bloedglucosestijging verwachten? De GI gaat omhoog als:

  • Voedingsmiddelen bewerkt zijn. Appelcompote zonder suiker geeft een snellere stijging dan een gewone appel. En van geprakte aardappels of aardappelpuree stijgt uw bloedglucose meer dan van stukjes gekookte aardappels.
  • Een product bij de bereiding veel water opneemt. De koolhydraten zijn voor de spijsverteringsenzymen daardoor gemakkelijker te bereiken. Paprijst heeft daardoor een hogere GI dan droogkokende zilvervliesrijst. En van erg gaar gekookte pasta stijgt uw bloedglucose sneller dan van al dente gekookte pasta.
  • Een maaltijd weinig vezels bevat. Vezels zitten de spijsverteringsenzymen in de weg. Bij witte boterhammen met kaas kunt u een snellere stijging verwachten dan bij volkoren boterhammen met kaas en rauwkost.
  • Een maaltijd weinig vet bevat. De koolhydraten uit een vettere maaltijd worden trager verteerd dan uit een minder vette maaltijd. Het vet vormt een dun laagje om het eten waardoor de spijsverteringsenzymen er minder gemakkelijk bij kunnen. Ook blijft een vette maaltijd wat langer in de maag.
Kortom: combinaties zijn de sleutel. Als ezelsbruggetje kunt u aanhouden dat hoe zwaarder een maaltijd te verteren is, des te lager het effect op uw bloedglucose zal zijn. Bij zwaardere maaltijden (met meer vet, meer vezels en/of weinig bewerkt) kan het nodig zijn om de insuline later toe te dienen. Met een insulinepomp kan bij zwaardere maaltijden de maaltijdinsuline vertraagd gegeven worden. Bij lichtere maaltijden (met weinig vet, weinig vezels en/of veel bewerkte producten) kan juist nodig zijn de dosis insuline eerder te geven om de snelle bloedglucosepiek op te vangen.

Gastroparese
Gastroparese is een vertraagde maaglediging en kan voorkomen bij zowel mensen met diabetes type 1 als type 2. Niet iedereen met gastroparese heeft klachten, maar veel voorkomende symptomen zijn een vol en opgeblazen gevoel, misselijkheid, braken en buikpijn. Daarnaast schommelen de bloedglucosewaarden vaak doordat bij gastroparese de voeding vanuit de maag met wisselende snelheden in de darmen terecht komt. Hierdoor is lastig in te schatten wanneer de bloedglucosepiek na de maaltijd ontstaat. En dat maakt het lastig om te bepalen hoeveel en wanneer insuline toegediend moet worden.
Soms helpt het bijvoorbeeld om de hoeveelheid vet in de maaltijden te verminderen, vaker op de dag kleine beetjes te eten, zachtere voeding te gebruiken en voldoende te drinken. Uw diabetesverpleegkundige en diëtist kunnen u helpen om uw medicatie af te stemmen op uw voeding zodat u ook betere bloedglucosewaarden ná de maaltijd heeft.

Uw bloedglucose controleren, koolhydraten tellen en een passende hoeveelheid insuline toedienen, helpen u om uw bloedglucosewaarden beter onder controle te krijgen. Experimenteer eens en ontdek de voordelen van bewust met uw diabetes bezig zijn.

facebook google plus



voeding.markt 2
Er zijn drie belangrijke pijlers om uw bloedglucosewaarden na de maaltijd onder controle te krijgen: voeding, medicatie en zelfcontrole. Een goed ‘samenspel’ van deze drie pijlers levert de grootste winst op voor uw gezondheid