logo bloedsuiker
    Uitgave 01 - 2006, jaargang 21
Oogcomplicaties. Wees alert!

Veel mensen met diabetes krijgen op den duur te maken met oogproblemen.
Echter, door regelmatig oogonderzoek kunnen afwijkingen tijdig worden
opgespoord en behandeld. Hiermee kan gezichtsverlies veelal worden voorkomen.



Oogspecialist dr. Reinier Schlingemann: ‘CTGF bevordert de groei van lichaamscellen en speelt een belangrijke rol bij het genezen van wondjes. Bij mensen met diabetes lijkt CTGF overijverig te zijn’ Oogspecialist dr. Reinier Schlingemann, verbonden aan het Academisch Medisch Centrum te Amsterdam, leidt een onderzoek naar de rol van de groeifactor CTGF (Connective Tissue Growth Factor) bij het ontstaan en de behandeling van diabetische retinopathie (ziekte van het netvlies als gevolg van diabetes). Bij diabetische retinopathie ontstaan door de jaren heen afwijkingen aan de wand van de haarvaatjes (de kleinste bloedvaatjes) in het netvlies. Het netvlies is de lichtgevoelige binnenbekleding aan de achterzijde van de oogbol die de lichtprikkels aan onze hersenen doorgeeft. Door deze afwijkingen kunnen de vaatjes gaan uitpuilen en vervolgens gaan lekken. De oogarts ziet deze afwijkingen als kleine vlekjes (exsudaten). Dit wordt niet-proliferatieve retinopathie genoemd. Doorgaans merkt u nog niets van deze afwijkingen, maar als gevolg hiervan kunnen de vaatjes afgesloten raken en vervormen waardoor de bloed- en zuurstoftoevoer in gevaar komen.
Het oog vormt dan weliswaar nieuwe vaatjes, maar deze zijn zwakker dan de oorspronkelijke haarvaatjes en leiden daarom makkelijk tot een bloeding en de vorming van bindweefsel. In dit stadium spreekt men van proliferatieve retinopathie.
Proliferatieve retinopathie kan leiden tot het loslaten van het netvlies met als gevolg een sterke afname van het gezichtsvermogen. In de westerse wereld vormen deze netvliesafwijkingen de voornaamste oorzaak van slechtziendheid en blindheid.



CTGF
Met steun van het Diabetes Fonds leidt Schlingemann het onderzoek naar de rol van de groeifactor CTGF bij diabetische retinopathie. Hij zegt: ‘Bijna alle mensen met diabetes krijgen enige mate van retinopathie. Daarom is het belangrijk om de mogelijke oorzaken hiervan nader te onderzoeken. We weten nu dat naast een slechte glucoseregulatie, ook de stof CTGF meespeelt. Deze stof bevordert de groei van lichaamscellen en speelt een belangrijke rol bij het genezen van wondjes. CTGF lijkt bij mensen met diabetes overijverig te zijn. Bij retinopathie veroorzaakt dit extra littekenweefsel en daarmee de eerder genoemde problemen die samenhangen met de vorming van nieuwe zwakkere vaatjes. Wij onderzoeken nu of het mogelijk is deze groeifactor af te remmen zodat de vorming van littekenweefsel vermindert. Daarmee wordt de bedreiging van het gezichtsvermogen van mensen met diabetes door retinopathie kleiner. In de toekomst zal wellicht door medicatie de rol die CTGF speelt bij het ontstaan van oogcomplicaties worden beteugeld.'


Laseren
Mensen met diabetes krijgen het advies om de ogen regelmatig, om de één à twee jaar, te laten controleren. Netvliesafwijkingen hoeven namelijk niet altijd meteen klachten te geven. Die krijgt men pas als de gele vlek, het gedeelte van het netvlies waarmee men zaken scherp waarneemt, wordt aangetast. Het proces van verlies van gezichtsvermogen door retinopathie kan voorkomen of vertraagd worden door de toepassing van laserbehandeling. Vaak wordt dit al gedaan voordat iemand klachten krijgt. Dit gebeurt poliklinisch en heeft meestal geen bijwerkingen. Met druppels wordt het hoornvlies verdoofd en de pupil verwijd. Via een lens worden met pulsjes laserlicht kleine plekjes van het netvlies dichtgebrand. De vorming van nieuwe zwakkere vaatjes die vaak bloedingen veroorzaken, wordt daarmee tegengegaan. Deze gerichte vernietiging van een gedeelte van het netvlies heeft meestal geen bijwerkingen. Sommige mensen gaan door de laserbehandeling iets slechter zien. Ook kan het zijn dat ze minder goed zien in het donker, wat minder kleuren kunnen onderscheiden of een kleiner gezichtsveld krijgen. Deze nadelen wegen niet op tegen de voordelen. Want als retinopathie pas in een laat stadium wordt ontdekt, bijvoorbeeld na een ernstige bloeding of als het netvlies heeft losgelaten, dan is de schade dikwijls veel groter.


Risicofactoren
Veel factoren spelen een rol bij het ontstaan van diabetische retinopathie. Zowel mensen met diabetes type 1 als diabetes type 2 krijgen op termijn afwijkingen aan de kleine bloedvaatjes van het netvlies. Een goede instelling van de diabetes vertraagt het ontstaan en verergeren van de retinopathie maar zet het niet stil. Wanneer er al afwijkingen in het netvlies zijn ontstaan, is de invloed van een goede instelling overigens kleiner. Duidelijke risicofactoren zijn overgewicht, hoge bloeddruk en een verhoogd cholesterolgehalte. Voor de puberteit hebben kinderen vrijwel nooit retinopathie, ook niet als ze al op hele jonge leeftijd diabetes kregen. Pas tijdens of na de puberteit, een periode waarin er veel hormonale veranderingen plaatsvinden, treedt er retinopathie op. Tijdens de zwangerschap kan de retinopathie bij vrouwen met type 1 diabetes
verergeren. Extra controle in die periode is belangrijk.
Bij mensen met type 1 diabetes wordt de eerste vijf jaar na de diagnose bijna nooit retinopathie gezien. Daarom krijgen zij het advies pas na vijf jaar hun ogen te laten controleren. Mensen waarbij net diabetes type 2 is ontdekt, krijgen het advies om binnen een halfjaar een oogonderzoek te laten doen. Zij hebben bij diagnose vaker diabetische retinopathie omdat ze waarschijnlijk al een lange tijd hebben rondgelopen met verhoogde bloedglucosewaarden zonder dat ze dit wisten.
Lichamelijke inspanning zoals sport en tuinieren hebben overigens een gunstig effect op retinopathie!



Staar
Naast retinopathie zijn er nog een aantal oogcomplicaties waarmee mensen met diabetes te maken kunnen krijgen. Staar, de vertroebeling van de ooglens, is een oogaandoening die bij mensen met diabetes eerder optreedt. Dit is niet te voorkomen maar goed te opereren. De vertroebelde ooglens wordt dan vervangen door een kunststoflens. Daarnaast is het mogelijk dat mensen gaan dubbelzien door beschadiging van zenuwen die de oogspieren aansturen (neuropathie).
Ook glaucoom, een ziekte die gepaard gaat met hoge oogboldruk, komt bij mensen met diabetes tweemaal zoveel voor als bij mensen zonder diabetes. Vrouwen krijgen na de overgang vaak te maken met klachten van droge vermoeide ogen. Door de hormonale veranderingen is het beschermend filter op de oogbol minder sterk. Dit oogprobleem kan echter met oogdruppels enigszins worden verholpen.



Tijdelijk
Sterke schommelingen in de bloedglucosewaarden kunnen tijdelijke klachten geven aan de ogen. Veel mensen hebben tijdens een hypoglycaemie last van een onduidelijk beeld. Dit wordt veroorzaakt doordat het netvlies en de hersenen op dat moment een tekort aan glucose hebben. Bij een te hoge bloedglucose is de vochtbalans in de ooglens verstoord. De lens trekt water aan waardoor de lens van vorm verandert. Dit maakt dat mensen niet meer scherp zien. Voor beide situaties geldt echter dat de klachten verdwijnen, zodra de bloed-glucosewaarde weer genormaliseerd is.


Vroegtijdig
Het is belangrijk dat mensen met diabetes hun ogen regelmatig laten controleren en klachten direct melden aan de behandelaar. Door in een vroeg stadium laserbehandeling toe te passen wordt verlies van gezichtsvermogen veelal voorkomen en het proces van retinopathie vertraagd. Onderzoek naar oogcomplicaties bij personen met diabetes staat hoog op de agenda.
De alarmerend snelle groei van het aantal mensen met diabetes speelt daarbij zeker mee. Het verbeteren van de medische infrastructuur en specialistische oogheelkundige zorg blijven aandachtspunten. Gelukkig werpen de verbeterde educatie en technieken duidelijk vruchten af. Het percentage slechtziende en blinde mensen met
diabetes neemt af in ons land.



Hoe vaak laat u uw ogen controleren?
                                       eerste onderzoek                        vervolgonderzoek
Diabetes type 1                 5 jaar na diagnose                         1x per 1 à 2 jaar
Diabetes type 2                 binnen 6 maanden                         1 x per 1 à 2 jaar
Met risicofactoren*            -                                                   minstens 1 x per jaar
Met retinopathie*               -                                                  1 x per 3 à 12 maanden

*
Hoe vaak u een vervolgonderzoek moet laten doen is afhankelijk van de aanwezigheid van netvliesafwijkingen en risicofactoren die van invloed kunnen zijn op retinopathie zoals: de diabetesduur, hoge bloeddruk, slechte diabetesregulatie, puberteit, eiwit in de urine en/of slechte nierfunctie, snelle verbetering van de bloedglucoseregulatie of zwangerschap.

Bron: richtlijnen en adviezen voor een goede diabeteszorg van de Nederlandse Diabetes Federatie.




facebook google plus