logo bloedsuiker
    Uitgave 04 - 2004, jaargang 19
Zelfcontrole de baas

Wat doe je aan een te hoge bloedglucosewaarde vr de lunch?
Of hoeveel eenheden insuline spuit je als je een ochtend gaat sporten of wanneer je uit eten gaat? Met behulp van zelfcontrole kunnen mensen met diabetes zelf vooraf op deze situaties inspelen.



Door een goede zelfcontrole en zelfregulatie leren mensen om afwijkingen van het vaste leefpatroon op te vangen. Dit geeft zelfvertrouwen en vrijheid Zelfcontrole is een enorme doorbraak geweest in de zelfzorgmogelijkheden voor mensen met diabetes. Door het dagelijks meten van de bloedglucosewaarden krijgt iemand inzicht in zijn eigen diabetes.
Aan de hand van deze gegevens kan dan, eventueel in overleg met de arts of de diabetesverpleegkundige, de instelling worden aangepast en verbeterd (zelfregulatie). Op deze manier worden mensen zelf verantwoordelijk voor hun diabetes en in de praktijk blijkt dat de diabetesinstelling dan verbetert. Naast het verbeteren van de instelling is zelfcontrole ook belangrijk voor het oplossen van acute problemen, zoals een hypoglycaemie, een hyperglycaemie of schommelende bloedglucosewaarden als gevolg van stress of ziekte.



Dagcurve
De meeste mensen met diabetes worden poliklinisch ingesteld op insulinetherapie. Met behulp van dagcurves kunnen ze controleren wat het effect van de insuline is. Met een curve wordt bedoeld op gezette tijden de bloedglucosewaarden controleren en de uitkomsten hiervan noteren. Er bestaan verschillende soorten dagcurves: de vier-, vijf-, zeven- en achtpuntscurves. Bij de vierpuntscurve meet iemand drie keer per dag vr de maaltijd en n keer vr het slapen gaan. Bij de vijfpuntscurve wordt de nuchtere waarde gemeten en vervolgens anderhalf uur na elke maaltijd en vr het slapen gaan. Bij de zevenpuntscurve meet men vr en 1,5 uur na het eten en vr het slapen gaan. Doet men daarnaast ook nog een nachtelijke meting dan wordt het een achtpuntscurve. Hilda van der Heyde, werkzaam als diabetesverpleegkundige in Ziekenhuis Sint Jansdal te Harderwijk zegt hierover: Het is afhankelijk van de soort insulinetherapie welke dagcurve mensen prikken en hoe vaak ze een dagcurve prikken. Bovendien is het ook afhankelijk van de omstandigheden en de mate waarin iemand goed of slecht is ingesteld. Bij onregelmatige omstandigheden is het verstandig vaker te controleren en hetzelfde geldt voor mensen die slecht zijn ingesteld. Er zijn mensen die dagelijks gemiddeld vier keer de bloedglucose bepalen, bijvoorbeeld mensen met een insulinepomp, of mensen die onregelmatig leven, werken en eten. Het aantal bloedglucosestrips dat wordt vergoed is afhankelijk van de verzekering.'


Een maaltijd
De zevenpuntscurve geeft inzicht in het verloop van de bloedglucosewaarden voor en tussen de maaltijden', gaat Van der Heyde verder.Zit je bijvoorbeeld stelselmatig te hoog na het ontbijt of vr de lunch, dan weet je dat je vr het ontbijt meer insuline moet injecteren. We adviseren altijd om te beginnen met het focussen op n maaltijd of het effect van n insuline-injectie. Bijvoorbeeld het ontbijt. Iemand doet dan de vierpuntscurve plus een extra controle anderhalf uur na het ontbijt. Na een aantal metingen worden dan zonodig de insuline-eenheden vr het ontbijt aangepast en gaat men verder met de volgende maaltijd. Stap voor stap dus. Alle maaltijden tegelijk aanpakken kan verwarrend zijn. Enmaal de bloedglucose meten geeft ook niet voldoende informatie om een structurele verbetering van de insulinedosis te bereiken.'


Oorzaak aanpakken
Het aanpassen van de insuline-eenheden gebeurt vaak in overleg met de arts of de diabetesverpleegkundige. Het bijhouden van de metingen in een diabetesdagboekje helpt hierbij. Tijdens een consult kunnen dan de oorzaken en gevolgen besproken worden. Veel mensen doen echter ook aan zelfregulatie, het zelf bepalen of aanpassen van de insulinedosis. Van der Heyde: 'Bij zelfregulatie gaat het erom de oorzaken aan te pakken en te voorkomen dat de glucosewaarden oplopen in plaats van achteraf hoge glucosewaarden weg te werken. Als je in staat bent dat te doen, dan beheers je de zelfregulatie.'


Vrijheid
Naast het bijhouden van de metingen, houdt zelfcontrole ook in dat iemand weet in hoeverre het eetpatroon en de mate van lichaamsbeweging de bloedglucosewaarden benvloeden. Van der Heyde: Zelfregulatie betekent ook het aanpassen van het aantal eenheden insuline aan wat je eet. Ga je bijvoorbeeld vier in plaats van normaal gesproken twee boterhammen eten, dan moet je weten hoeveel extra eenheden je moet spuiten. Zo is het ook met beweging. Ga je bewegen dan heb je doorgaans minder insuline nodig. Het vergt tijd, maar stap voor stap leren mensen dit.' Door een goede zelfcontrole en zelfregulatie leren mensen om afwijkingen van het vaste leefpatroon op te vangen. Dit geeft zelfvertrouwen en vrijheid. Van der Heyde: Iemand leert bijvoorbeeld wat hij moet doen met zijn insulinedosering voordat hij pannenkoeken gaat eten, in plaats van drie uur later bij te spuiten omdat hij toen pas merkte dat zijn bloedglucose na die maaltijd veel te hoog was. Hetzelfde geldt voor bewegen en sporten.'


Opvangen
Hoewel door een goede zelfcontrole, en dus een betere instelling, acute complicaties zich minder snel voordoen, kunnen ze toch nog optreden. Factoren als stress, ziekte, warmte en kou zijn allemaal van invloed op de bloedglucosewaarde. Bij veel mensen met diabetes stijgt dan de bloedglucose, bij anderen daalt de glucosewaarde. Het goed opvangen van dit soort situaties hoort ook bij de zelfregulatie. Soms is er geen oorzaak te vinden voor omhoog en omlaag schietende bloedglucosewaarden. Van der Heyde: Soms heb je het niet in de hand, wat niet betekent dat je het niet goed doet. Goed gedrag wordt helaas niet altijd goed beloond. Sommige mensen met diabetes zijn nu eenmaal moeilijk instelbaar.'
Het aantal insuline-eenheden dat iemand bij te hoge bloedglucosewaarden moet bijspuiten, verschilt per
persoon. Het is handig om in overleg met de arts of de diabetesverpleegkundige een bijspuitschema te maken. Een veel gebruikt schema is de 2-4-6 regel. Hiermee wordt bedoeld iedere 2 uur 4 of 6 eenheden kort/snelwerkende insuline bijspuiten. Bij een bloedglucose boven de 15 mmol/l 4 eenheden extra geven en bij een bloedglucose boven de 20 mmol/l, 6 eenheden extra geven. Vervolgens na twee uur opnieuw de bloedglucosewaarde controleren en zo nodig weer extra insuline geven.



Ultrakortwerkende insuline analoog: wordt direct vr, tijdens of vlak na de maaltijd toegediend, waardoor een flexibele levensstijl mogelijk wordt. Werkt twee tot 4 uur.

Kortwerkende insuline: een half uur vr de maaltijd spuiten. Werkt zes tot acht uur.

Middellangwerkende insuline (NPH): wordt vaak vr de nacht gegeven.

Werkt twaalf tot achttien uur.

Langwerkende insuline analoog: werkt ongeveer 24 uur. Wordt meestal eenmaal daags toegediend, vaak voor de nacht.

Insulinemixen: een mengsel met bijvoorbeeld dertig procent kortwerkende en zeventig procent NPH-insuline. Wordt tweemaal daags toegediend.




facebook google plus