logo bloedsuiker
    Uitgave 03 - 2001, jaargang 16
Persoonlijk

Olav Mol is presentator van RTL Formule 1. Dit betekent veel reizen, onregelmatig eten en leven. Avontuur en spanning. Deadlines die gehaald moeten worden. Vier jaar geleden kreeg Olav Mol diabetes. Geen moment heeft hij eraan gedacht z'n werk op te geven. Maar hoe combineert hij dit met z'n diabetes?
Olav Mol vertelt.



De redactie van RTL Formule 1 zetelt in het Holland Media House in Hilversum. Vier redactieleden houden zich bezig met de Grand Prix en twee heren concentreren zich op de nationale races. Aan het plafond sieren vlaggen van de verschillende Grand Prix. In de hoek van de ruimte is een studio gebouwd van waaruit wordt uitgezonden. Daarnaast staat de montagetafel. In het midden van de redactie staat een lekker bankstel. ‘Hier loungen we', licht Olav Mol toe. Een simpele entourage waar niet gesleept hoeft te worden met decors. ‘We zijn nogal no nonsense', aldus Mol. Naast het verslagleggen van de Grand Prix, regisseert en monteert Mol de beelden voor de uitzendingen, spreekt hij de commentaren in en traint hij jongeren die dit werk in de toekomst ook gaan doen.
Naast zijn werkzaamheden voor Formule 1 is Mol twee dagen in de week bezig met het blad Race Report. Mol: ‘Het enige blad in Nederland over racen dat twee keer per maand verschijnt.'



Wat trekt je in dit onregelmatige bestaan?
Ik ben altijd al ambitieus en fanatiek geweest. Vroeger zat ik in jeugd- en schoolbesturen en was ik altijd in de weer met het organiseren van feesten en dergelijke. Ik woonde met mijn ouders in een klein plaatsje vlakbij Bloemendaal. Op m'n veertiende zat ik voor het eerst in een raceauto op het circuit. Op m'n zestiende maakte ik mijn eerste rit. Ik ben altijd geïnteresseerd geweest in snelheid en techniek. Mijn vader had een watersportzaak waardoor ik ook in de zeilsport terechtkwam. Op m'n achttiende ben ik van Amsterdam naar New York gezeild. Dat is puur overleven. Vier uur werken, vier uur slapen, vier weken lang. De spanning, het reizen en het avontuur trekken me. Ik ben één van de gelukkigen die van een hobby zijn werk heeft weten te maken. Er zijn niet veel mensen die in één jaar zowel in Australië, Brazilië en Maleisië komen. Ik zie dit echt als een voorrecht.'

‘Soms stap ik voor een tv-productie zelf in een raceauto', gaat Mol verder. ‘Zo heb ik laatst een Ferrari Modena, 480 pk, en een Chrysler Viper, 625 pk, gedemonstreerd. Ik probeer over te brengen hoe het voelt om in zo'n auto te zitten. Dat vind ik geweldig, ik zie het als een roeping. Veel mensen hebben geen idee van de hele industrie die hierachter zit. Achter elk Formule 1 team, twee coureurs, staat een team van 550 man. 275 man zijn bezig met de auto zelf en nog eens 275 met de techniek. Hun werk bestaat eruit innovatieve kneepjes uit te vinden en nauwkeurige controles uit te voeren.



Dus het is niet de coureur die wint, maar de auto?
Mol: ‘Ten dele is dit waar. Tien procent wordt bepaald door de kundigheid van de coureur en negentig procent door de techniek en bouw van de auto.'
Heb je favorieten in de pit?
‘Nee, ik hou erg van momentopnamen. Winnen en verliezen staat voor mij heel dicht bij elkaar. Een nieuwe coureur die z'n eerste WK-wereldkampioen-punt haalt omdat hij als zesde eindigt, is op dat moment voor mij favoriet. Een topper als Schumacher die niet tevreden is omdat hij als tweede eindigt, is feitelijk een verliezer. Ik kan er niet goed tegen als mensen niet blij zijn met hun overwinning. Want als je ervan uitgaat dat je honderd procent hebt gegeven, is dit het beste wat je gezien de omstandigheden op dat moment kon halen.



Hoe ontdekte je dat je diabetes had?

‘Ik was al langer ontzettend moe, had veel dorst en zag minder. Maar ik had overal wel een verklaring voor. Het seizoen liep ten einde, ik zat in het bloedhete Zuid-Spanje en ik was al lang niet meer naar de oogarts geweest om mijn bril te laten controleren. Terug in Nederland werd de bril aangepast maar ik bleef moe en had ook nog steeds veel dorst. Op een avond had ik wat pijn boven mijn maagstreek. Toen mijn vrouw en kinderen al in bed lagen, werd het steeds erger. Ik heb letterlijk op de vloer liggen creperen van de pijn. Slapen lukte niet. ‘s Nachts hebben we de huisarts gebeld. Hij heeft me wat tegen de pijn gegeven en vroeg me de volgende dag op het spreekuur te komen. Hij vermoedde diabetes of een lichte attack. Wij hebben die nacht niet meer geslapen.
‘De volgende dag bleek op het spreekuur dat ik een bloedglucosewaarde had van 27,9 mmol/l. Ik werd direct opgenomen. Dat was op een donderdag. Ik kwam op een zaal terecht maar het ging bergafwaarts met me. Omdat ik er op vrijdagavond zo slecht aan toe was, brachten ze me, mede op aandringen van mijn vrouw, naar de Intensive Care (IC). Uiteindelijk heb ik daar acht dagen gelegen. Het bleek dat ik een pancreasontsteking had.'



Wat was er eerst: de diabetes of de
pancreasontsteking?

Mol: ‘Dat zal altijd een ‘kip-of-ei' vraag blijven. Ik had al langer de symptomen van diabetes, maar dat kan ook het gevolg zijn geweest van de beginnende pancreasontsteking. Nu nog ben ik er verbaasd over dat niemand in mijn omgeving de symptomen herkende. Hier ligt nog een grote taak voor alle betrokkenen op het gebied van diabetes. Een pancreasontsteking is niet ongevaarlijk en als ik de symptomen van
diabetes eerder had herkend, had het misschien niet zo ver hoeven komen. Maar goed, ik heb het overleefd.
‘Na een paar dagen IC begon ik op te knappen. Al snel leerde ik insuline spuiten en bloedglucosewaarden controleren. Ik heb een optimistische levensinstelling. Ik lag niet in het ziekenhuis ziek te zijn, ik was daar om beter te worden. Bovendien had ik de oplossing voor mijn probleem: insuline.
‘Eerst werd ik ingesteld op een mengsel van kort- en langwerkende insuline. Maar dit werkte niet voor mij. Ik leid een heel onregelmatig leven. Soms maak ik werkdagen van 5.30 uur ‘s ochtends tot 23.00 uur
‘s avonds en dan gaan we daarna nog een hapje eten. Er zijn bijna geen dagen waarop ik keurig drie maaltijden eet. In overleg met een diabetesverpleegkundige ben ik toen overgestapt op ‘s ochtends een injectie van langwerkende insuline, momenteel spuit ik dan 38 eenheden. Daarnaast spuit ik snel/kortwerkende insuline vlak voordat ik ga eten. Dit
is dus per dag verschillend, al naargelang wanneer en wat ik eet.'
Voor de verslaglegging van de Formule 1 Grand Prix reis je de hele wereld af. Hoe regel je dat met de tijdsschommelingen?
‘Het kan zijn dat ik op woensdag naar Canada vlieg, op zondag terugvlieg en de volgende ochtend weer in het vliegtuig stap naar Maleisië. Gelukkig heb ik geen last van al die tijdsverschillen. Natuurlijk heb ik wel moeten uitzoeken hoe ik dit het beste kon opvangen met mijn insuline. Ik zeg wel eens dat ik mijn eigen diabetesweg heb uitgestippeld. Waar ter wereld ik ook ben, ik spuit de langwerkende insuline altijd tussen 7.00 en 9.00 uur Nederlandse tijd. Dit betekent dat ik in Japan de langwerkende insuline in de namiddag spuit en in de Verenigde Staten rond 24.00 uur. De kortwerkende insuline stem ik af op hetgeen ik daar eet.'



Nooit bang voor hypo's op ongelegen momenten?
‘Gelukkig niet. Ik voel een hypo goed aankomen. Als ik beneden de 4,5 mmol/l zit, word ik een beetje rillerig. Dan weet ik dat het tijd is om iets te eten. Soms wacht ik bewust nog iets langer om dan, als ik echt laag zit, een Mars of zo te eten. Ik weet dat dit geen aanrader is, maar soms is het gewoon lekker. Voor de zekerheid heb ik altijd druivensuiker bij me. Ook weten de jongens met wie ik reis wat ze moeten doen als ik echt in een hypo zou raken. Maar dat is nog nooit voorgekomen.


Zijn je vrouw en twee kinderen nooit ongerust?
Natuurlijk wel, maar het gaat al lang goed en daardoor groeit het vertrouwen ook weer. Echte zorgen maken we ons als mijn alvleesklier, die nog voor zo'n twee procent werkt, af en toe voor een dagje opspeelt.


Voel je je nu minder goed dan voordat je diabetes had?
Nee, integendeel. Daarvoor was ik vaak moe en nu heb ik eigenlijk nergens last van. Bovendien fiets ik veel en squash ik regelmatig.'
In hoeverre heeft diabetes je leven veranderd?
‘In doen ben ik niet veranderd, in denken wel. Ik moet toch drie of vier keer per dag insuline spuiten. Ook snoep ik minder. Als ik me wat minder voel of ergens aan twijfel, ga ik een paar dagen drie of vier keer per dag mijn bloedglucoses controleren en hou met behulp van een computer een curve bij. Dit bespreek ik met mijn arts en dan pas ik mijn eetgewoonte of insulineschema aan. Aan de ene kant ben ik voorzichtig en probeer ik schommelingen van bloedglucosewaarden zoveel mogelijk te voorkomen. Aan de andere kant wil ik niet dat diabetes mijn leven gaat beheersen. Ik wil door kunnen blijven gaan met wat ik doe. Geen arts kan me garanderen, ook al zou ik alle adviezen in acht nemen, dat ik gezond oud word. Ik doe wat me het beste lijkt, waar ik me het beste bij voel. Niemand kan in de toekomst kijken en ik kies voor kwaliteit van leven nu en niet voor angst voor de toekomst.'




facebook google plus